De kabeljauwvissers van Paimpol

.

.

.

De kabeljauwvissers van Paimpol

.

.

…………….“ Het kerkhof van Ploubazlanec, een dorp bij Paimpol, maakte bijzonder veel indruk. Hier worden zo’n 2000 vissers herdacht,

……………..opgeofferd aan de kabeljauwvangst. Van 1850 tot 1935 werd vanuit Paimpol uitgevaren voor de vangst nabij IJsland.

……………..De schepen bleven vaak zes maanden weg. Zeker honderd schepen kwamen niet terug en verdwenen ieder met zo’n 20 à

…………….25 man in de golven. Op het kerkhof herinnert een lange wand met namen van schepen en hun bemanning aan deze vorm .

…………….van moderne slavernij “.

.

.

……………Deze vakantienotitie uit 2008 kreeg onlangs een onverwacht vervolg. Ik stuitte bij toeval op een boek genaamd “Pêcheurs d’Islande” van de auteur Pierre Loti. Na enig speurwerk bleek de Nederlandse vertaling “IJsland vissers” bij een antiquariaat verkrijgbaar. Ik raakte betrokken in wat een opmerkelijk literair werk bleek. De geschiedenis van de vissers kwam opnieuw tot leven en leidde bovendien tot verdere naspeuringen. Al tijdens het bezoek aan de “Mur des disparus” ( de muur der vermisten ) op het Bretonse kerkhof probeerde ik mij in te leven in het rauwe vissersbestaan met daarnaast het vertier in de Parijse restaurants waar een niet onaanzienlijk deel van de kabeljauw onbezorgd en met alle gezelligheid van dien geconsumeerd werd. Een glas goede witte wijn erbij…

De kabeljauw stond hoog aangeschreven op de menukaarten. Het boek van Loti is vanaf de verschijning in 1886 populair geweest, vertaald en meerdere malen verfilmd. Geen wonder, ook vandaag nog lezen vooral de sfeer- en landschapsbeschrijvingen als fris en sensitief, doen niet perse negentiende-eeuws aan. Naast de beschrijving van woeste zeeën – dit lijken mij te verwachten schilderingen in zeemansboeken – kent Loti ook aan de kalmste dagen op zee waarde toe met beschrijvingen van hun atmosferische fijnzinnigheden en uren van verveling bij de bemanning. Minutieus is zijn waarnemingsvermogen, aanzienlijk zijn metaforische verbeeldingskracht: “Je kon nauwelijks onderscheiden waar de zee moest zijn; van dichtbij leek het op een trillende spiegel die geen enkel beeld had te weerkaatsen, in de verte scheen het een nevelvlakte – en daarna niets meer, er was geen horizon en geen omtrek.” De beschrijvingen van de landschappen en de weersgesteldheden zijn zonder meer innemend. De nevelachtige zeelandschappen van de Noordelijke Oceaan, maar evengoed de rijk met brem en bloemen begroeide zomerse landschappen van het Bretonse thuisland. Ook de andere seizoenen komen aan bod. De lezer kan zich daar ook vandaag – honderdtwinig jaar later – onmiddelijk in opgenomen voelen. Bij het lezen van de menselijke verhoudingen van de negentiende eeuw ligt het wat ingewikkelder. Hoewel soms virtuoos beschreven voelt de lezer bij dat laatste een grotere afstand: de grote verschillen tussen de standen, het primaat van de natuurkrachten, de omgang tussen vrouwen en mannen, het geloof. Men merkt dat men dat eerder leest als een tijdsdocument.

.

……………De schrijver was zelf zee-officier, uit alles spreekt een doorleefde bekendheid met de zeevaart. De roman berust voor een belangrijk deel op de werkelijkheid van 1886. Zo bleek bij het nazoeken de naam Léopoldine, het ongelukkige schip in het boek, ten minste als scheepsnaam overgenomen is van een reeds in 1877 werkelijk vergane schoener. Pierre Loti (1850-1923) was in zijn belangstelling beinvloedt door Gauguin, als schilder met een antropologische fascinatie voor zowel  Bretagne als het exotische Polynesië. In zijn manier van kijken onderging Loti invloed van Monet, als schilder van “nevelachtige” impressies. Maar hij stond voor de taak het te doen met de uitdrukkingsmiddelen van de taal.

.

.

……………………………..

.

…………………………………………………kabeljauwissers voor de kust van IJsland

.

……………Elke jaar in februari startte de campagne met de afvaart van de schoeners vanuit Paimpol. In café’s was voordien onder de seizoenvissers en de talrijke werkzoekenden geronseld voor weer een nieuw seizoen. Een dag voor de afvaart was in het stadje een mis met een processie die door duizenden werd bezocht, daaronder vooral de vissers en hun naasten. Het afscheid viel de meesten zwaar, men wist van de gevaren en van de eerdere boten die niet waren weergekeerd. De boten lagen klaar, voorzien van zout, proviand, brandstof voor kachel en fornuis.

De volgende ochtend gingen de zeilen omhoog, tientallen boten voeren de haven uit, met hun bemanningen luid zingend: “Maria, Sterre der Zee”.

Op de visgronden bij IJsland werd aan de lijn naar de kabeljauw gevist. Beeldend beschrijft Loti hoe de onafzienbare scholen met vissen onder de boten door zwemmen: “De Maria wierp over het water een langgerekte schaduw, die groen leek in die gladde vlakte, waarin het witte licht van de hemel weerkaatste. In dat donkere gedeelte, dat niet weerspiegelde, was het water doorzichtig en kon men duidelijk zien wat er onder de oppervlakte gebeurde: ontelbare vissen, myriaden  en myriaden, alle van dezelfde soort, die zachtjes voortgleden in dezelfde richting, alsof zij één doel hadden op hun eeuwigdurende reis.”

Een vis kon 20 kilo wegen of meer, werd aan boord schoongemaakt en in het zout gelegd ( pas bij de uiteindelijke terugkeer in Paimpol werd de vangst verhandeld ). Vanwege het lange licht in het noorden was het onderscheid tussen de dagdelen moeilijk te maken, het grootste deel van het etmaal was het licht. Men werkte soms in ploegendienst het hele etmaal door, het onderscheid tussen dag en nacht vervaagde daardoor des te meer: “Na de wisseling van de wacht konden ze gaan slapen wanneer ze wilden, op ieder ogenblik, want hier, waar het altijd daglicht bleef, deed het er niet toe hoe laat het was”.

.

……………In de loop van alle jaren gingen 120 schepen verloren. Tachtig daarvan vergingen met man en muis. Andere raakten zwaar gehavend tijdens stormen of aanvaringen in de mist. Zeelieden konden dan verwond raken of overboord slaan. Jonge jongens konden op hun eerste reis al het leven verliezen. Oudere vissers die ( net als hun familieleden ) reeds een werkleven met de onzekerheid hadden geleefd konden op latere leeftijd alsnog verongelukken. Toch is zeker van één visser bekend dat hij 40 campagnes meemaakte. Onderwijl beleefde hij nooit een Franse zomer. Het leven was grijs en mistig op zee, thuis was ’s winters de natuur in diezelfde tinten teruggevallen. Een enkele maal slaagde een marineschip erin post uit te wisselen tussen het thuisfront en de vissers, maar vaak bleef men aan beide kanten van informatie verstoken. “In Paimpol was het het altijd doodstil, zelfs zondags, op op die lange mei-avonden; Jonge meisjes, die niemand hadden om hun een beetje het hof te maken, wandelden twee aan twee, of met z’n drieën, en dachten aan hun vrijers, die vissers op IJsland.”

Op IJsland werd soms verse proviand ingenomen. Er was een hospitaaltje voor zieke en gewond geraakte vissers, een aantal Bretonnen zijn op het eiland begraven met een eenvoudig houten kruis als markering.

Tegen de verwachte tijd van terugkeer in Bretagne, eind augustus, gingen de vrouwen dagelijks naar de hoge klif van het nabijgelegen Pors-Even. Naar gelang de schepen, dag na dag, uit het zicht bleven liep de spanning bij de achterblijvers koud op.

.

.

Lees ook: Nawoord ▼                                                                                                                                      hsn aug. 2010.

.

.

.

.

.

.

.

Nawoord ………………………………………………………………………………………De kabeljauwvissers van Paimpol

.

.

►De gemotoriseerde visserij

……………Het vissen met behulp van natuurkracht (zeilen) is sindsdien vervangen door het vissen met gemotoriseerde schepen. De mechanisering van de visvangst was rond 1950 voltooid. Van ongevallen wordt nog zelden vernomen. In dezelfde jaren werden de eerste tekenen van overbevissing vastgesteld. De vissen zijn als hoogwaardig (dierlijk) voedsel erg gewild. Vrijwel alleen het welvarende deel van de wereldbevolking neemt deel aan de consumptie van kabeljauw. Maar dit deel is in koopkracht en in aantal afnemers sterk toegenomen. Overbevissing werd rond het jaar 2000 een onderwerp van grotere internationale zorg. Ook klimaatveranderingen en vervuiling worden genoemd als invloeden van een afnemend kabeljauwbestand.

.

►Een ooggetuigeverslag

…………… Door publicatie van bovenstaande tekst kwam ik in contact met Joris Surmont, een van de laatste beroepskrachten op een Belgische IJslandtrawler. In het het boek “Door de mazen van het net” verhaalt Joris Surmont over zijn jarenlange persoonlijke bevindingen tijdens deze latere vorm van gemotoriseerde zeevisserij. De geschiedenis en de technische aspecten van het vissen komen in dit boek eveneens aan bod. Gaandeweg zijn carrière verdiepte de auteur zich terdege in het aspect van de overbevissing. Dit onderwerp raakt, buiten de kabeljauwvangst, wereldwijd de visstand als geheel. Aan het slot van het boek brengt Joris Surmont dit mondiale probleem voor de lezer in kaart.

Surmont, J.; “Door de mazen van het net” (2010)  uitg.: Boekscout € 15,95

www.ijslandvaart.net

.

.

.

Nawoord behorend bij tekst: De kabeljauwvissers van Paimpol                                                              hsn  aug. 2010.

.

.

.